1. Nathalie
Ze had dit vak gekozen voor het leven, om te laten leven. Het ziekenhuis was daarvoor de ideale plek, ware het niet dat je de dood er ongevraagd bij cadeau kreeg. Natuurlijk had Nathalie geweten dat die onontkoombaar deel van haar werkend bestaan zou worden en om zijn schaduw zo veel mogelijk te ontlopen, had ze een blij specialisme gekozen. Maar die nacht was de dood schrijnend aanwezig geweest en ze had niet genoeg gedaan om hem buiten de deuren van de verloskamers te houden. Misschien had ze met haar drift de deuren juist wijd open gezet. Een onverdraaglijke gedachte.
Met de nodige tegenzin was ze om elf uur aan haar laatste nachtdienst begonnen. Niet dat ze een hekel aan haar werk had, in tegendeel zelfs, maar ze zou voor de vierde achtereenvolgende nacht met Niels moeten samenwerken en inmiddels kon ze de arts-assistent wel schieten. ‘Naathoegaat?’ begroette hij haar ook vanavond weer, zonder een spoor van wezenlijke interesse in zijn stem. Dezelfde nonchalante toon sloeg hij tegen barende vrouwen aan. Ze zag het wel vaker, vreemd genoeg juist bij jonge artsen, dat joviale ‘ik ben de dokter’-airtje. Meestal vergoelijkte ze hun gedrag dat volgens haar uit onzekerheid voortkwam, maar voor hem bracht ze dat soort milde gevoelens niet op. De aardappel in zijn keel en zijn lange wimpers, waar hij mee koketteerde door veelvuldig met zijn ogen te knipperen, droegen bij aan haar antipathie. Bovendien toonde hij bar weinig respect voor haar vijftien jaar verpleegkundige ervaring. De afgelopen nachten had ze de nodige stille strijdjes met hem gevoerd en verloren en in beide was ze ronduit slecht. Onuitstaanbaar dat ze hem de oren niet gewoon kon wassen: hij was een snotneus, maar wél de dokter.
‘Het gaat heel goed, Niels,’ zei ze koeltjes. ‘Laatste nacht en dan heb ik vier compensatiedagen.’
‘Jullie verpleegkundigen zijn verwend. Ik heb drie jaar geleden geloof ik nog eens anderhalve dag vrij gehad. Dat was me nog eens een vakantie.’ Niels keek heel tevreden bij zijn flauwe grap.
Nathalies mondhoeken weigerden in beweging te komen en haar collega van de avonddienst greep Niels woorden aan als bruggetje voor de overdracht. ‘Over vakantie gesproken: het is onwijs rustig hier.’
Nathalie zuchtte inwendig: zonder bevallingen zou de nacht voorbij kruipen.
Tijdens haar eerste ronde wees er inderdaad nog niets op dat het een roerige nacht zou worden. In verloskamer één lag een vrouw met drie centimeter ontsluiting. Eerste kind, dat kon nog wel even duren. Nathalie sprak haar wat bemoedigende woorden toe en liep toen door naar de tweede verloskamer, waar een vrouw eerder deze avond van een tienponder was bevallen. De uitslagen van haar controles vielen binnen de normaalwaarden, al was haar bloeddruk laag. De vrouw had een stevige hoeveelheid bloed verloren en zag zo wit als het laken waar ze onder lag. Ze had geen bloedtransfusie gewild. Ook al was dit een onverstandig besluit, Nathalie had er wel begrip voor. Zelf zou ze ook niet graag het bloed van een vreemde in zich laten sijpelen.
‘Drink even wat.’ Ze hielp de vrouw overeind in de kussens en reikte haar de beker aan met de koud geworden bouillon. Steels keek ze op haar horloge. Half twaalf. Jan zou inmiddels al slapen. De meisjes had Nathalie zelf nog in bed kunnen stoppen.
De vrouw nam een paar voorzichtige slokjes. ‘Goed zo,’ zei Nathalie mechanisch. Pas bevallen vrouwen hadden behoefte aan complimentjes, al was het over iets kleins als het drinken van wat bouillon. ‘Ga maar lekker slapen nu. Dat doet Bo ook.’ Ze wees naar het wiegje waar de blakende Bo in lag.
De vrouw knikte, maar Nathalie wist dat ze op zijn best wat hazenslaapjes zou pakken.
Haar collega verpleegkundige zat in het kantoortje een tijdschrift te lezen, maar slingerde dat direct weg toen Nathalie binnenkwam. ‘Je wilt niet weten wat die puberzoon van mij nu weer heeft uitgevreten.’
Dat wil ik inderdaad niet, dacht Nathalie. ‘Laat me even wakker worden, Ellen.’ Ze liep naar het keukenblok en schonk een mok vol uit de kan koffie die de avonddienst nog voor hen had gezet. Tot Nathalies opluchting had Niels na de overdracht een bed opgezocht. ‘Maak me maar wakker als het bal wordt,’ zei hij.
‘Doen we.’ Bal, dacht ze erachteraan.
‘Mmm, wat eten we?’ vroeg Ellen, die altijd honger had.
Nathalie trok de koelkast open. Voorin lagen drie maaltijden onder een stevige laag aluminiumfolie. Ze tilde een hoekje op. ‘Jachtschotel.’ De kok was er weer vlot bij met zijn herfstkost, dacht ze met vage spijt. De karige en vooral natte zomer was voorbij en haar hoop op een mooie nazomer werd vooralsnog met nog meer regen beantwoord.
‘Is er ook een snack?’
Ze veegde de maaltijden opzij en vond een bakje met rijstrolletjes. ‘Ik denk dat we Saria wel mogen bedanken.’ Hun Indonesische collega maakte de lekkerste hapjes en deelde deze tijdens de avonddienst gul uit aan collega’s, die vaak massaal op dieet waren, zodat er altijd wel iets overbleef voor de nachtdienst.
‘Daar beginnen we mee.’ Ellen wreef op voorhand al tevreden over haar toch al bolle maag.
Achteraf gezien was het uitermate verstandig geweest dat ze zich niet hadden kunnen inhouden, want de rest van de nacht kregen ze niets meer.
Tot een uur of twee lag er een deken van serene rust over de afdeling, al reikte die helaas niet tot de zusterpost, waar Ellen de oren van Nathalies hoofd kletste. Maar daarna stroomden de verloskamers ineens vol en haalde Nathalie opgelucht adem. Veel langer had ze Ellen niet meer kunnen aanhoren zonder te gaan snauwen. De uren zouden nu voorbijvliegen, om acht uur zou ze Jan en de kinderen uitzwaaien en dan zelf afgepeigerd haar bed in kruipen.
Ze wekte Niels, die brommerig opstond en vanaf dat moment heen en weer pendelde tussen de verschillende verloskamers. Ellen en zij namen elk drie patiënten onder hun hoede en hun mannen erbij, die soms nog meer aandacht vroegen dan hun barende vrouw.
Betty was een struise vrouw van achter in de dertig die twee weken over tijd was van haar eerste kindje. Toen ze rond vier uur per ambulance was binnengekomen, had ze al acht centimeter ontsluiting. Haar man Gilles zag bleekjes en zijn bruinleren jasje spande om zijn krampachtig omhooggetrokken schouders.
‘De vliezen zijn net gebroken en er zit meconium in het vruchtwater. Het kind zit veel te hoog.’ Nathalie kende de verloskundige die Betty overdroeg goed. Een kundige vrouw, warm voorstander van de thuisbevalling, zoals velen in haar beroepsgroep, maar altijd adequaat wanneer een ziekenhuisopname nodig was.
Nathalie was natuurlijk bevooroordeeld, maar ze geloofde eenvoudigweg niet in de valse romantiek rond thuisbevallingen. Waarom niet gewoon kiezen voor de rust van een witte kamer en voldoende professionals in de buurt? Keer op keer zag ze hier vrouwen binnenkomen die het zo graag hadden gewild, maar ten slotte dolblij waren als ze naar het ziekenhuis konden.
Ze vroeg naar de details van het verloop van de bevalling tot nu toe en nam het dossier aan. ‘De arts komt zo. Hij is nog even bezig op de andere verloskamer.’ De ambulancebroeder had Betty ondertussen van de brancard in een bed geholpen, ze was zo te zien druk bezig een wee op te vangen.
De verloskundige boog zich over haar bed heen. ‘Betty, je bent in goede handen. Vanaf nu neemt de arts het over. Ik kan jammer genoeg niet blijven, ben net opgepiept voor een andere bevalling. Sterkte, het zijn echt de laatste loodjes.’
Betty gaf een kreun ten afscheid. Haar man Gilles wreef wat onbeholpen over haar rug.
‘Is de wee voorbij?’ vroeg Nathalie toen ze zag dat Betty wat ontspande. Het laken bolde over haar enorme buik.
‘Bijna,’ murmelde de vrouw.
‘Dan sluit ik u aan op wat apparatuur. Doen we standaard.’ Ze wikkelde de banden van de Cardio Toco Grafie om Betty’s buik. ‘Hiermee meten we de hartslag van de baby en uw weeën.’
‘Gaat het wel goed?’ vroeg Gilles angstig.
‘Volgens de verloskundige zijn de harttonen steeds goed geweest.’
Niels kwam op zijn klompen binnenklossen. ‘Wat hebben we hier?’
‘Mevrouw en mijnheer Stender,’ verbeterde ze hem kattig. Leerden ze dat tegenwoordig in de opleiding, je patiënten als voorwerp aanspreken?
Hij gaf hun een hand en trok toen zonder aankondiging het laken weg. Betty draaide van haar zij op haar rug. ‘U moet zeker voelen?’
‘Ja, ik doe een toucher om te zien hoe ver u bent.’ Niels wierp een blik in het dossier dat de verloskundige had overhandigd. ‘Hm, u had al acht centimeter toen u van huis vertrok. Dat is mooi.’
‘De baby heeft in het vruchtwater gepoept,’ zei Gilles. ‘Dat is toch een slecht teken?’
‘Dat betekent dat hij zin heeft om met u kennis te maken, maar het komt vaak genoeg voor hoor.’ Niels wierp een blik op de monitor. ‘Ik zie dat de harttonen nog prima zijn. Ik wacht tot u een wee hebt, dan voelt u minder.’
Kletspraat die alleen door mannen en kinderloze vrouwen werd uitgekraamd, dacht Nathalie. Ze herinnerde zich de wroetende handen in haar binnenste tijdens haar bevallingen maar al te goed. Alles deed gewoon godvergeten pijn als je aan het baren was.
‘Negen centimeter,’ zei Niels even later triomfantelijk, alsof hij zelf elke centimeter had weggepuft. ‘Nog even en u mag gaan persen.’
Nathalie keek naar het gezicht van de barende vrouw. Ze had pijn, dat was zonneklaar, maar er miste iets. Vrouwen die zo ver ontsloten waren, kregen dat paniekerige van persweeën. Niet zelden smeekten ze of ze alsjeblieft naar de wc mochten, vanwege onhoudbare aandrang. Het was doorgaans alle hens aan dek om ze te weerhouden van de oerdrang om te gaan persen. Betty’s gezicht was vertrokken van pijn, maar vertoonde geen spoor van die paniek. Nathalie zag de wee wegebben. Ze ging wat dichter bij het bed staan en pakte Betty’s hand vast. ‘Hebt u al persdrang?’
‘Ik geloof het niet.’ Ze klonk wat onzeker. Doodnormaal bij een eerste.
‘Goed,’ zei Niels. ‘U heeft nog een centimeter te gaan. Ik kom over een kwartier weer langs.’
Nathalie onderdrukte de neiging om direct achter hem aan te rennen. Ze wilde het echtpaar niet nodeloos ongerust maken, maar ze moest Niels zo snel mogelijk spreken. ‘Kan ik nog iets voor u halen?’ vroeg ze.
Betty schudde haar hoofd en begon weer dieper te ademen. Haar man schoof naar voren en legde zijn handen onder haar rug.
‘Ik ga even naar een andere patiënt, ik ben zo terug.’ Ze gaf Betty een geruststellend kneepje in haar hand.
Ze vond Niels in de zusterspost, waar hij tevreden aan tafel zat, terwijl Ellen twee kleverige rijstrolletjes uit de folie pelde, op een bordje legde en dat in de magnetron schoof.
‘Even over mevrouw Stender,’ begon Nathalie en ze probeerde haar opwinding te onderdrukken. ‘De verloskundige zei dat de baby bij haar laatste toucher nog erg hoog lag.’
Niels keek verstoord op. ‘Nou ja, ze heeft nog geen VO, dus dat is goed beschouwd niet erg.’
‘Negen centimeter is bijna volledig, voelde je het hoofdje?’ Haar stem schoot de lucht in.
Nu keek Niels geërgerd. ‘Er is geen reden voor paniek, de harttonen zijn prima. Mag dat kind de tijd nemen?’ Hij negeerde haar vraag, maar er rafelde een randje onzekerheid aan zijn stem.
‘Ik vind dat je de achterwacht moet bellen. Hier is een ervaren gynaecoloog nodig.’ Ze hoorde zelf dat ze te hautain klonk.
‘Dat bepaal ik wel,’ zei Niels.
‘Je zou er wijzer aan doen naar een ervaren verpleegkundige te luisteren,’ zei ze boos.
Ellen gaf haar een waarschuwende blik, haalde toen als een soort afleidingsmanoeuvre het bordje uit de magnetron nog voor die piepte en serveerde Niels met een flirterig lachje de rijstrolletjes.
Nathalie werd een beetje misselijk van onderdrukte woede, maar ze wist dat ze hem genoeg tegen zich in het harnas had gejaagd en zei kortaf: ‘Ik doe nog even de controles op kamer 2. Daarna ben ik bij de familie Stender.’
De kersverse moeder lag verliefd naar Bo te kijken.
Nathalie herinnerde zich de geboorte van haar eigen kinderen nog goed. Haar schreeuw bij de laatste wee, de glibberige paarse lijfjes van haar kinderen op haar buik. De roes in de uren erna, als zij frisgewassen in een schone nachtpon haar kind in haar armen hield en er geen genoeg van kreeg de zachte wangetjes te strelen en er kusjes op te drukken. ‘Mooi kindje,’ zei ze tegen de moeder. ‘Jullie hebben het allebei geweldig gedaan.’
‘Ja, hè!’
De controles waren goed. ‘Wel veel drinken hoor de komende dagen!’ Ze schonk een glas limonade in en hielp haar overeind in de kussens.
‘Dus ik mag morgen naar huis?’ vroeg de vrouw gretig.
‘Daar beslis ik niet over, maar de dokter. Als u goede kraamzorg heeft geregeld maakt u volgens mij een kans. En veel drinken.’
Die stok achter de deur hielp en even later was het glas leeg. Nathalie zou Bo en haar moeder misschien nooit meer zien. Dat maakte niet uit, ze voelde zich altijd weer bevoorrecht dat ze op zo’n onderscheidend moment deel mocht uitmaken van het leven van mensen.
Voor een barende vrouw lag Betty er nog steeds tamelijk sereen bij, al kleefde haar asblonde haar nu wel in dunne strengen langs haar hoofd en trilden haar lichte wimpers mee met haar gesloten oogleden.
‘Wat duurt het lang.’ Gilles keek Nathalie gespannen aan, zijn nek lag verzonken tussen zijn schouders.
‘De dokter komt er zo aan. Dan heeft uw vrouw misschien volledige ontsluiting en mag ze gaan persen. Voor een eerste kind is deze bevallingsduur heel normaal, hoor.’ Ze probeerde hem gerust te stellen, maar ze nam zelfs haar eigen onrust niet helemaal weg.
Toch waren de harttonen van de baby nog steeds in orde.
‘Er komt er weer een,’ waarschuwde Betty en de volgende minuten lag ze heel zachtjes te kreunen. Er gleden enkele tranen uit haar ooghoeken, die een dun beekje vormden dat naar haar slapen toe liep. Elke vrouw onderging haar weeën anders, wist Nathalie. Sommigen vloekten en tierden, loeiden zelfs, anderen maakten geen geluid. Er waren vrouwen die hun zware lijf heen en weer wiegden en anderen lagen juist doodstil. De verloskamers vormden een studietoneel van hoe mensen omgingen met pijn. Met zinvolle pijn, welteverstaan. Volgens Nathalie maakte het karakter van de pijn een wereld van verschil.
‘Zo, laten we eens kijken hoe we ervoor staan,’ zei Niels even later.
In een murw gebaar spreidde Betty haar benen en gaf een klein kreetje van pijn toen hij met zijn vingers diep bij haar binnendrong. Nathalie pakte haar hand. ‘Knijp maar.’
‘VO,’ zei Niels opgewekt.
‘Volledige ontsluiting,’ vertaalde Nathalie voor Betty en Gilles.
Niels trok zijn handschoenen uit en viste een schoon paar van de verbandkar. ‘We wachten op de volgende wee en dan mag u losgaan.’ Even zag Nathalie een glimpje onzekerheid in zijn ogen, maar vrijwel direct trok hij weer zijn kundige doktersgezicht.
Betty keek hem wazig aan.
‘Wacht maar even.’ Nathalie liet haar stem nadrukkelijk klinken. ‘Laat eerst deze wee helemaal weggaan, dan leg ik je uit wat we gaan doen.’
De vrouw sloot haar ogen en pakte haar diepe ademhaling weer op. Er parelden zweetdruppeltjes op haar dunne bovenlip.
Betty was niet de enige die zweette. Het haar van haar man hing in een steil matje naar beneden en plakte glimmend in zijn nek. Mannen waren vaak zo ontroerend onthand tijdens een bevalling. De uitdrukking ‘handenwringend’ had pas echt betekenis voor haar gekregen sinds ze op de verloskamers werkte.
‘Hij is weg,’ fluisterde Betty.
‘Bij de volgende wee mag u gaan persen. Ik neem aan dat u iets van een cursus heeft gedaan, of yoga?’ vroeg Niels.
Nathalie besloot het over te nemen van die hopeloze lomperik. ‘Mevrouw Stender, als de volgende wee begint knijpt u in mijn hand en als de pijn stevig wordt, knijpt u heel hard en dan luistert u precies naar mijn aanwijzingen. Is dat duidelijk?’
De vrouw knikte. ‘Zeg maar Betty,’ fluisterde ze toen.
‘Goed, Betty. Concentreer je op je ademhaling. Je doet het heel goed. Adem diep in en uit.’
Betty deed haar best. De vrouw zag paars van het persen tijdens de weeën die volgden.
Na een half uur waren ze geen steek verder.
Niels deed nogmaals een toucher en Nathalie durfde niet aan hem te vragen of de baby dieper was ingedaald. Het was te basaal, dat zou hij direct als een motie van wantrouwen zien. Maar vooral wilde ze het echtpaar niet onnodig verontrusten. En ze kon niet weg van Betty’s zij om Niels even apart te nemen. De vrouw klampte zich aan haar vast als een drenkeling en negeerde de arts-assistent volkomen.
‘We proberen de baarstoel,’ besloot Niels, nog even monter als aan het begin van de persfase.
Dat vormde een mooi moment om hem even apart te nemen. ‘Ik haal de stoel. Niels, help je me even?’
‘Het kind is niet goed ingedaald,’ zei ze dringend tegen hem op de gang.
‘De moeder perst niet krachtig genoeg.’ Niels keek een beetje laatdunkend en Nathalie moest zich bedwingen om hem geen stomp te verkopen. ‘Laat de zwaartekracht haar werk doen.’
‘Dat kan alleen als er ruimte genoeg is,’ fluisterde ze geagiteerd.
‘Er is geen enkele reden om aan te nemen dat ze medisch versmald is. Heb je die heupen gezien? Ruimte zat. Ze is gewoon te oud voor een eerste kind, dus alles is wat stijf, maar dat rekt wel op.’
Ze zweeg even geschokt. ‘Wat ben jij een lul,’ zei ze toen scherp en schrok daar zelf van.
‘Het laatste woord over jouw gedrag is wat mij betreft nog niet gezegd,’ zei hij na een korte geladen stilte.
‘Dat is wederzijds,’ zei ze grimmig.
‘Waar is die baarstoel?’ beet hij haar toe.
‘Die haal ik wel. Ga jij maar weer naar binnen. Ik bel intussen de achterwacht.’ Ze probeerde nog om het te laten klinken alsof ze dat zojuist hadden afgesproken, maar natuurlijk waren ze al lang in het stadium beland dat hij niets meer van haar zou aannemen.
‘Vlaskamp?’ Niels keek haar woedend aan. ‘No way. Die wil helemaal niet ’s nachts zijn bed uit worden gebeld.’
Daar had hij op zich gelijk in. Vlaskamp was een arts van de oude stempel die al te lang gewend was als halve godheid te worden behandeld en zich in de loop van zijn lange dienstjaren in toenemende mate als een bully was gaan gedragen. Hij stond erom bekend dat hij assistenten die hem voor niets opriepen, kleineerde in bijzijn van zo veel mogelijk collega’s. Dat zag je wel vaker bij medisch specialisten. Honderd keer waren ze voor niets hun bed uit gekomen en dus probeerden ze vervolgens hun assistenten te ontmoedigen hen te bellen. Maar deze situatie vroeg om een gynaecoloog en Niels zou er beter aan doen naar haar te luisteren. Na haar vrije dagen zou ze zich bezinnen op actie tegen deze assistent. Dat zou nog niet eenvoudig worden, want haar afdelingshoofd boog als een knipmes voor alles wat een witte jas droeg, zelfs als het vers uit de collegebanken kwam lopen.
‘We gaan naar binnen en jij assisteert me zonder boe of bah,’ zei Niels afgemeten.
Ze duwde hem opzij, streek haar gezicht in een professionele plooi en opende de deur naar de verloskamer.
Betty op de baarkruk krijgen was een hele toer en toen ze er eenmaal op zat begon ze vrijwel direct te gillen. De hele nacht had ze de vrouw nog niet in paniek gezien, maar de blik in haar ogen bij het intreden van de zwaartekracht was onmiskenbaar. ‘Het kan niet!’ Ze schreeuwde de woorden uit. ‘Ik breek als ik pers!’
Niels keek geërgerd. ‘Drukken,’ zei hij.
‘Het gaat niet, het doet te veel pijn.’ Betty gilde.
‘Bevallen doet pijn,’ zei Niels. ‘Persen.’
Nathalie probeerde hem met haar ogen te seinen, maar hij keek haar kant niet uit. Dan had ze geen keus, die gek had geen idee. ‘Betty, als jij zegt dat het niet kan, dan is dat zo. Kom maar weer liggen.’ Ze keek niet naar Niels, maar ze stelde zich voor dat hij haar een verschroeiende blik zond. Betty strompelde terug naar het bed en liet zich er half op vallen. Haar man begon aan haar onderlichaam te sjorren.
‘Wacht,’ zei Nathalie, zo rustig mogelijk. ‘Betty, wacht even je wee af. Adem diep in en uit.’
Pas toen de wee was geweken kregen ze Betty weer fatsoenlijk op het bed. De vrouw had tranen in haar ogen en was niet meer in staat om te praten. Ze jammerde alleen nog zachtjes.
‘Jammer,’ zei Niels ontevreden. ‘De baarkruk kan het proces enorm versnellen.’
‘Probeer even uit te rusten, Betty. Al is het maar een minuut.’ Nathalie pakte een washandje en depte het zweet van Betty’s gezicht. Het was waar dat sommige vrouwen hysterisch konden reageren op de pijn bij het persen, maar Betty had de ontsluitingweeën zonder een kick doorstaan. Het leek wel of de vrouw geen persdrang had. Dat kon verschillende oorzaken hebben, maar in combinatie met de boodschap van de verloskundige leek de conclusie voor de hand te liggen dat de baby simpelweg niet diep genoeg was ingedaald om persdrang te kunnen veroorzaken. De pijn die Betty aangaf bij het vertikaal persen, paste daarbij. Ze trok Niels mee, naar een hoek van de kamer. ‘Ik bel Vlaskamp,’ zei ze zacht tegen hem.
‘Geen sprake van,’ siste hij boos terug.
‘Ze perst al meer dan een uur, zelfs een coassistent weet dat je dan moet ingrijpen.’ Ze wist dat haar houding niet hielp, maar ze hield zich zelfs nog in: het liefst had ze hem geslagen. Niels werd rood van ingehouden ergernis en hij knipperde met zijn ogen, met de belachelijk lange wimpers. ‘Het is haar eerste kind, dan mag het langer duren en de baby maakt het goed,’ zei hij kortaf.
Dat laatste was in zoverre waar dat de hartslag van het kind binnen de normaalwaarden viel, maar Nathalie probeerde niet te denken aan de storm waar het kind zich in bevond. Zijn of haar huisje bevond zich in een aardbeving van de zwaarste soort. De druk op het lijfje en vooral het hoofdje moest enorm zijn. Ze gaf geen antwoord, maar liep terug naar het bed. ‘Nog even volhouden, Betty.’
‘Het gaat niet,’ zei die uitgeput.
‘Het komt goed.’ De aanmoediging moest uit Nathalies tenen komen.
Het was niet goed gekomen en als ze heel eerlijk was, had ze dat toen al geweten.
Hoe belandde je als gezonde jonge vrouw, als je zesendertig tenminste nog jong mocht noemen, zonder enige lichamelijke kwaal, in de ziektewet? Nathalie kon er na die nacht eenvoudig antwoord op geven. Door het verlammende onvermogen een ramp die je op je af ziet komen, af te wentelen, zoals in een boze droom waarin je zelfs de simpelste bewegingen niet kunt maken. Je wilt ingrijpen of wegrennen, maar je lichaam weigert. Je wilt spreken maar je mond zit vol draden die eindeloos doorlopen als je ze eruit wilt trekken. Je blijft dezelfde beweging herhalen zonder enig resultaat.
Of met desastreus resultaat.
Niet elke bevalling loopt goed af, de statistieken kunnen je dat vertellen. Zo’n vier op de duizend baby’s sterven perinataal en een op de grofweg tienduizend kraamvrouwen haalt de eindstreep niet. Ook worden er ondanks de prenatale diagnostiek nog steeds veel kinderen met afwijkingen geboren. Nathalie had in de jaren dat ze nu als verpleegkundige op de verloskamers werkte dan ook het nodige verdriet voorbij zien komen en ze was nooit gewend geraakt aan het ongeloof en de intense pijn van ouders bij wie de droom in een nachtmerrie omsloeg.
Vaak kwam ze dan aangeslagen thuis. ‘Mens zoek toch ander werk, dit is niet vol te houden,’ had Jan in het begin gezegd. Inmiddels wist hij dat de vreugde die haar werk haar gaf veel groter was dan het incidentele verdriet. Soms huilde ze even in zijn armen en vaak was dat genoeg om het verdriet dat niet van haar was, los te laten.
Het verdrietige lot van Bobby Stender liet zich niet weghuilen. Misschien had het te maken met de gruwel van zijn dood. Bobby Stender was gestikt in het geboortekanaal van zijn moeder. De gedachte aan zijn laatste momenten benamen Nathalie de adem. Het volmaakte kindje was slechts minuten verwijderd geweest van een vol leven en had zo hard geprobeerd zijn weg naar buiten te vechten dat zijn hoofdje misvormd was geraakt door het geweld van het persen.
Maar vooral kon Nathalie zichzelf niet vergeven. Ze had beter moeten weten, haar drift was immers haar eeuwige valkuil. Ze had Ellen op Niels af moeten sturen, die had hem vast veel eerder met een zoet lijntje en nog een rijstrolletje kunnen overreden om de achterwacht te bellen.
Niels had het nog een half uur willen aanzien, terwijl zij wist dat een keizersnede nog de enige mogelijkheid was. In het half uur van Niels waren de harttonen van de baby afgenomen en was Betty’s bloeddruk verontrustend gedaald. ‘Ik bel nú Vlaskamp,’ had Nathalie na twintig minuten bruusk aangekondigd.
‘Jij blijft hier,’ had Niels gesnauwd. ‘Het is bijna zeven uur. Terhaar heeft vroege dienst, die is er zo. Ik bel haar wel of ze iets eerder komt.’
Heel even was Nathalie bang geweest dat hij de ernst van de situatie nog steeds onderschatte, maar toen hij terugkwam zei hij tot haar opluchting: ‘Ze is al onderweg.’
Terhaar deed een toucher en Betty gilde: ‘Het gaat niet, het gaat niet. Pak een tang of wat dan ook. Het interesseert me geen reet. Hij moet eruit!’ Tientallen gesprongen adertjes, het resultaat van haar ingespannen persen, gaven haar uitgeputte gelaat een paarsige gloed.
‘Het gaat inderdaad niet,’ zei Terhaar nuchter. ‘We kunnen niet eens een tang plaatsen, de baby zit muurvast. Het wordt een keizersnede.’
Echtgenoot Gilles barstte in snikken uit, maar Betty stamelde alleen maar. ‘Godzijdank, godzijdank.’
Nathalie had al die tijd ingespannen naar de harttonen gekeken. ‘Ik bel de OK dat we een spoed hebben.’
‘Ga jij mee?’ Betty keek haar smekend aan. Als het enigszins kon ging de verpleegkundige die de bevalling begeleid had mee naar de sectio. ‘Ik overleg of het kan.’ De vroege dienst kon elk moment arriveren. Het moest kunnen.
‘Ik red het,’ zei Ellen. ‘Ga maar. Toi, toi, toi.’ Blijkbaar las ze de spanning van Nathalies gezicht.
Nathalie had spijt van veel momenten die nacht, maar de vraag of ze spijt had van haar besluit om de sectio mee te maken, zou ze nooit kunnen beantwoorden. Want wat zou haar meer hebben gekweld: de wetenschap dat ze zich voor de laatste fase van Betty’s bevalling had gedrukt, of de herinneringen die zich in al haar zintuigen hadden genesteld en voortdurend onverhoeds hun angstaanjagende kop opstaken? Het moment dat de harttonen van de baby wegvielen en Betty’s bloeddruk kelderde, terwijl de gynaecologe met een verbeten gezicht het scalpel in Betty’s onderbuik plaatste. Het beeld van de baarmoeder die vrij lag en Terhaar die vergeefs probeerde grip te krijgen op de achterkant van Bobby’s hoofdje, dat zich onder het aanhoudende persen had vastgeschroefd in zijn moeders geboortekanaal. ‘Meer spierverslapping,’ had Terhaar de anesthesist toegebeten, en kort daarna vroeg ze om de tang.
Het beeld van de forceps die om het hoofdje gleed, Terhaars witte klomp die zich met kracht op het linoleum afzette toen ze begon te trekken. Bobby’s verfrommelde hoofdje met de paarsblauwe lipjes, zijn levenloze grauwe lijfje. De schreeuw die niet kwam en nooit zou komen.
Na het dichten van Betty’s buikwond snauwde Terhaar tegen Niels: ‘Ik wil je zo zien, op mijn kamer.’ Ze sprak de woorden niet uit, maar de lading van haar stem vertelde de boodschap: Bobby Stenders dood was volstrekt onnodig geweest.
Nathalies borstkas sloot zich als een harnas om haar hart.
Zwijgend liep ze even later met de gynaecologe naar de wachtkamer.
De arts had besloten dat Gilles niet aanwezig mocht zijn, omdat zijn vrouw onder algehele narcose zou worden geopereerd. Hij had geprotesteerd: ‘Ik moet erbij zijn, ik ben haar man.’
Nathalie had hem zachtzinnig maar beslist overreed zijn eis los te laten. ‘Uw aanwezigheid op de OK brengt extra risico’s met zich mee.’ Het was een goede keus geweest, natuurlijk, maar toch vormden haar woorden een steen in haar maag toen ze naast Terhaar stond, die Gilles na de operatie vertelde dat zijn zoon het niet had gered. Hij keek de arts niet begrijpend aan en met het laatste restje kracht dat ze van de bodem van haar reservoir schraapte, herhaalde Nathalie de boodschap. Gilles liet zich op een stoel zakken en legde zijn hoofd in zijn handen.
Zwijgend had ze bij hem gezeten, tot haar collega van de dagdienst haar naar huis had gestuurd met de woorden. ‘Ik neem het van je over.’
Ze was naar huis gegaan, maar van overnemen was natuurlijk geen sprake.
Jan was nog thuis, de kinderen waren al naar school. ‘Wat ben je laat.’ Het klonk verwijtend.
‘Er is een vrouw…, een baby… Ik heb het verkloot.’ Verder kwam ze niet. Ze viel tegen hem aan en begon te huilen.
Dat ze daar voorlopig niet meer mee zou stoppen, wisten ze gelukkig op dat moment geen van beiden.